7.2 Grote diversiteit Wat bij deze categorie dieren vooral opvalt, is de grote diversiteit in dieren en type houders. Zo zijn er niet alleen heel veel diersoorten: honden, katten, konijnen, knaagdieren, fretten, vissen, reptielen en amfibieën, ook de houders vormen een bont gezelschap. Zo zijn er mensen wiens hele leven in het teken staat van de goede zorg voor de zangvogels in de volière, ouders die enkel vanuit educatief oogpunt hun kinderen een hamster geven, een hond die wordt aangeschaft voor een stoer imago, of senioren die het huisdier aanschaffen als gezelschap. In Nederland worden circa 1,8 miljoen honden, 3,3 miljoen katten, 5 miljoen vogels, 1 miljoen konijnen en 0,8 miljoen knaagdieren gehouden. Waar in de landbouwsector de dieren nagenoeg alleen gehouden worden uit economische motieven, is dat binnen de wereld van de gezelschapsdieren slechts voor een relatief kleine groep aan de orde. Gedacht moet worden aan de fokkers, handelaren, dierenspeciaalzaken en dienstverleners als pensions, hondenuitlaatcentra of trimsalons. Het merendeel van de mensen dat gezelschapsdieren houdt, houdt deze dieren niet vanuit economisch perspectief, maar enkel vanuit een oprechte zorg en liefde voor het dier. Vanuit de EU is er geen specifieke regelgeving voor gezelschapsdieren. Nationaal is er, naast de algemene bepalingen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, alleen het Besluit inzake het houden van een waak- of heemhond en het Honden- en kattenbesluit. Uit de enquête blijkt dat mensen zich ook grote zorgen maken over de verzorging van gezelschapsdieren. Volgens menig respondent laat die te wensen over. Dieren worden vaak niet goed verzorgd of zelfs verwaarloosd. 7.3 Verantwoordelijkheid houder Alles begint bij de houder van het dier. Deze is en blijft primair verantwoordelijk voor een goede zorg voor het dier. In veel gevallen wordt die goede zorg ook gegeven, maar uit de analyse van het Forum Welzijn Gezelschapsdieren en de meer recente analyse van RUU, faculteit diergeneeskunde en Wageningen-UR blijkt ook dat veel mensen handelen uit onwetendheid en onkunde. Het dier wordt aangeschaft zonder dat men zich heeft verdiept in de behoeften en het natuurlijke gedrag van het dier en zonder dat men de consequenties van het houden van een bepaalde diersoort of ras heeft overzien. Het punt van een ondoordachte aankoop, met alle gevolgen van dien, wordt ook vaak genoemd in de enquête. Ook zijn er mensen die het dier te zeer als een volwaardig familielid behandelen. Het dier eet bijvoorbeeld gewoon met de pot mee. Vanuit een oprechte liefde voor het dier wordt het dier verzorgd, maar dit is zeker niet altijd in het belang van het dier. Zo lijdt op dit moment naar voorzichtige schatting 40% van de honden en 35% van de katten aan overgewicht. Het is een illusie te denken dat het welzijn van gezelschapsdieren bij de individuele houders, toegespitst op alle diersoorten, via het spoor van regelgeving te verbeteren is. In deze is cruciaal dat de houder zich bij aanschaf vooraf terdege informeert over de behoeftes van het dier en de consequenties overziet van het houden van het betreffende dier. Daar hoort ook een kritische houding bij richting de verkoper. Om kopers en houders van gezelschapsdieren de helpende hand te bieden waar het gaat om betrouwbare en deskundige informatie, heeft LNV samen met andere organisaties besloten het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) in te stellen. Dit centrum is eind vorig jaar opgericht en inmiddels volledig bemand. Eind oktober presenteert het centrum zich naar buiten en wordt de eerste campagne gelanceerd. Vanaf dat moment is ook de website van het LICG on line met veel relevante informatie over de verzorging van allerhande diersoorten in de vorm van ‘dierenbijsluiters’. Deze informatie zal in de loop van de tijd steeds verder worden uitgebreid en voor een breed publiek een bron van informatie moeten zijn.
Het is mijn ambitie dat het LICG over 3 jaar hèt voorlichtings- en informatiecentrum is waar de houder van een gezelschapsdier niet meer omheen kan. In navolging van Europese regelgeving, is het mijn voornemen om in de Wet Dieren de mogelijkheid op te nemen van de zogenaamde gidsen voor goede praktijken. Deze figuur benadrukt de eigen verantwoordelijkheid en kan dienen als leidraad voor de naleving van regelgeving. Ik zie hier nadrukkelijk mogelijkheden voor een verdere invulling van de zorgplicht. Organisaties kunnen zelf gidsen opstellen die vervolgens door het departement worden beoordeeld. Ik zal het opstellen en toepassen ervan aanmoedigen. Ten aanzien van gezelschapsdieren, zal ik hierover in gesprek gaan met het Platform Verantwoord Huisdierbezit. 7.4 Onderzoeksprogramma Welzijn Gezelschapsdieren LNV besteedt jaarlijks veel onderzoeksgeld aan dierenwelzijn. Dit is ondergebracht in een apart gelabeld onderzoeksprogramma. Veel van het onderzoek dat tot op heden is uitgevoerd met overheidsgeld, ziet op landbouwhuisdieren. Ik constateer dat dit geen recht doet aan de welzijnsproblemen die er zijn bij gezelschapsdieren en het gebrek aan wetenschappelijke kennis op een aantal terreinen. Samen met de relevante partijen en wetenschappers zijn daarom specifiek voor gezelschapsdieren de belangrijkste onderwerpen voor onderzoek voor de komende jaren benoemd. Deze worden ondergebracht in een vierjarig onderzoeksprogramma. 7.5 Kwaliteit en transparantie Naast de grote groep van individuele houders van gezelschapsdieren thuis, is er een kleinere groep die beroepsmatig met deze dieren bezig is. Te denken valt aan fokkers, handelaren, dierenspeciaalzaken en pensions. Het motief van handelen is hier niet primair de liefde voor het dier, maar het economische perspectief. Hier laat zich een grotere parallel zien met de landbouwhuisdieren. Dit rechtvaardigt dan ook een andere aanpak dan bij de individuele burger die een dier houdt. In samenspraak met een aantal partijen is gekozen voor een aanpak waarbij de overheid en de sector samen hun verantwoordelijkheid nemen en daarmee de koper in staat stellen een goede keuze te maken. Met de relevante partijen worden er normen geformuleerd in het kader van een certificatiestelsel. Gekozen is hier te beginnen met de partijen uit het Honden- en kattenbesluit. Ik faciliteer en ondersteun dit proces. Hierna rust er op de sector de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een substantiële deelname aan het certificatiesysteem. Parallel aan het opstellen van het certificatiestelsel, wordt aan overheidszijde gewerkt aan een AMvB met doelvoorschriften die het certificatiesysteem dekken en het huidige Honden- en kattenbesluit zal vervangen. De controle aan overheidszijde richt zich vervolgens met name op de niet-deelnemers. Dit zogenaamde toezichtondersteuningsvariant. Een aanpak als hiervoor geschetst in combinatie met gerichte campagnes en voorlichting van het LICG, moet de markt voor kopers transparanter maken. De goeden kunnen zich hiermee zichtbaar onderscheiden. Op basis van de ervaringen en resultaten zal ik besluiten over een uitbreiding van certificatiestelsels. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan de dierenspeciaalzaken. 7.6 Identificatie en registratie In het verleden is op tal van plaatsen al vele malen gesproken over een identificatie- en registratiesysteem voor gezelschapsdieren, met name voor de honden. Waar partijen in het veld steeds vroegen om de invoering van een verplichte identificatie en registratie (I&R), werd aan overheidszijde onvoldoende meerwaarde gezien in een verplichting. Tijdens het Algemeen Overleg met de Kamer van 14 september 2006, is toegezegd in kaart te brengen of het verplicht stellen van I&R voor honden een effectieve en efficiënte methode is om dierenwelzijnsproblemen op te lossen zoals rond de vermissing van honden, de zwerfdierenproblematiek, mishandeling en verwaarlozing van dieren, erfelijke gebreken en de malafide hondenhandel. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd en toont niet eenduidig aan dat het verplicht stellen van I&R de hiervoor genoemde problemen oplost; I&R is hooguit een hulpmiddel. Alles staat of valt in de eerste plaats met de mate van naleving. Immers zonder een goede naleving is bijvoorbeeld de eigenaar van het gedumpte of mishandelde dier evenmin op te sporen. Een verplicht I&R-systeem kan leiden tot een hoge graad van registratie, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat een zeker percentage niet of niet correct geregistreerd zal zijn. In de tweede plaats is het effect sterk afhankelijk van de bereidheid van partijen om de I&R-gegevens te benutten voor bijvoorbeeld de aanpak van erfelijke problemen zoals die er zijn in de fokkerij. Ik ben mij bewust van de grote roep uit het veld om te komen tot een verplichte I&R voor honden. Ik leid hier ook uit af dat partijen daadwerkelijk bereid zijn hun verantwoordelijkheid te nemen en zaken als erfelijke gebreken aan te gaan pakken. Ik zal daarom een I&R voor honden verplicht stellen. Dat wil zeggen dat er een verplichting komt tot het identificeren van alle honden en het registreren van de honden en hun houders in een centrale database. Met het oog op een zorgvuldige invoering zal deze verplichting op 1 januari 2011 van kracht worden. Voorwaarde is dat de verplichting met zo min mogelijk administratieve lasten en kosten voor de burger gepaard gaat. Ik zal daarom de komende tijd met de relevante partijen praten over de opzet van de uitvoering. 7.7 Fokkerijproblemen Waar de fokkerij bij landbouwhuisdieren sterk gericht is op de maximalisatie van de productie, ligt de focus in de fokkerij bij met name de rashonden en –katten op extreme uiterlijke kenmerken. Op dit punt onderscheiden de landbouwhuisdieren en de gezelschapsdieren elkaar niet. Met name bij honden en katten gaat dit eenzijdige fokbeleid gepaard met gezondheids- en welzijnsproblemen bij de dieren. Ik denk bijvoorbeeld aan de problematiek van de naar binnen krullende of te ruime oogleden, ademhalingsproblemen door de korte snuiten, overmatige plooivorming en honden waarbij de dekking en de geboortes niet meer via de natuurlijke weg kunnen geschieden. Uit de enquête blijkt dat veel mensen niet bekend zijn met deze welzijnsproblemen. Maar als ze vervolgens de welzijnsproblemen krijgen voorgelegd, vindt een grote groep het zeer zorgwekkend. We hebben hier te maken met ernstige welzijnsproblemen als gevolg van menselijk handelen. Ik vind dan ook dat we dit probleem, te beginnen bij de rashonden, aan moeten pakken. Bij de rashonden zijn hiervoor de afzonderlijke rasverenigingen en de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied als overkoepelende organisatie de eerstverantwoordelijken. Omdat de rasverenigingen al een verplicht I&R-systeem en een uitgebreide administratie van foklijnen kennen, hebben zij alle tools in handen om deze problematiek samen met andere deskundigen op te pakken. Ik wil de sector hier in eerste instantie zelf de kans geven de problematiek op te pakken. Uiterlijk in september 2008 wil ik een plan zien waarin staat op welke wijze de problemen als gevolg van het eenzijdig fokkerijbeleid worden aangepakt. 7.8 Regeling Agressieve Dieren (pitbulls) Naar aanleiding van een aantal ernstige bijtincidenten, is er sinds 1993 de Regeling agressieve dieren (RAD). De regeling ziet op het type pitbull terriër en heeft tot doel dat er geen dieren van dit type meer in Nederland voorkomen (uitsterfbeleid) en te voorkomen dat de dieren in het openbaar schade aanrichten aan mensen en dieren. Onlangs is uitvoerig met de Kamer gediscussieerd over de Regeling agressieve dieren en heb ik aangekondigd een Commissie van wijzen in te stellen die de regeling evalueert (TK 2006-2007, 28286, nr. 55). De commissie is inmiddels ingesteld (TK 2006-2007, 28286, nr. 42). De evaluatie richt zich onder andere op de effectiviteit van de regeling en hoe andere Europese landen omgaan met deze problematiek. Tevens zal de commissie een risicoanalyse uitvoeren met betrekking tot hondenbeten, zowel wat betreft de pitbullachtigen, als andere typen en rassen en zal de commissie adviseren hoe het aantal hondenbeten verminderd kan worden (TK 2006-2007, 28286, nr. 54). De evaluatie zal begin volgend jaar zijn afgerond. Voor de zomer 2008 neem ik een besluit over de regeling en indien nodig de aanpak van hondenbeten in het algemeen. 7.9. Positieflijst De bepaling in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren die ziet op de te houden productiedieren, is destijds meteen ingevuld. Dat is tot op heden niet gebeurd voor de overige dieren. Zowel de sector en maatschappelijke organisaties als de Tweede Kamer hebben hierover meermalen met mijn voorgangers gediscussieerd. Centraal in die discussie stonden steeds de te hanteren criteria, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. Op basis van het voorstel van het Forum Welzijn Gezelschapsdieren en de adviezen van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), heb ik besloten het wetsartikel in werking te laten treden. De basis hiervoor is de lijst zoals de RDA die na brede consultatie heeft opgesteld. Ik hecht eraan na de lange discussie over dit onderwerp duidelijkheid te bieden, hoewel ik ook begrijp dat over deze lijst weer discussie te voeren is. Ik zal daarom in de AMvB voorzien in een evaluatie over 2 jaar. Het streven is de AMvB begin 2008 voor te hangen. 7.10. Asielen en dierenambulances Gemeenten zijn in geval van gevonden dieren, gedurende 14 dagen verantwoordelijk voor de opvang van deze dieren. Meestal hebben de gemeenten hiervoor afspraken gemaakt met lokale asielen. Asielen waar veel vrijwilligers werkzaam zijn en hun werk met grote toewijding verrichten. Deze werkwijze doet recht aan de grote verschillen die er landelijk zijn. De problematiek op het platteland is in deze nu eenmaal anders dan in de steden. Op deze manier kan het gewenste lokale maatwerk worden geleverd. Dierenambulances zorgen voor eerste hulp aan dieren, vervoeren van dieren, verwijderen van overleden dieren en de eventuele tijdelijke opslag van kadavers voordat die door een destructiebedrijf worden opgehaald, het registreren van gevonden en vermiste dieren en in sommige gevallen tijdelijke opvang van dieren. Het gaat hier niet alleen om honden en katten, maar ook om dieren zonder eigenaar die in de vrije natuur voorkomen (zoals vogels en egels). In totaal werken zo’n 4.000 vrijwilligers voor de diverse dierenambulances in Nederland. Zij zetten zich belangeloos en zonder geldelijke vergoeding in voor de dieren. Voor hun inzet heb ik, net als voor de vrijwilligers in asielen, grote waardering. In een aantal gemeenten zijn er afspraken met dierenambulances over werkzaamheden en vergoedingen. De georganiseerdheid en professionaliteit van de diverse dierenambulances verschillen sterk. Dit hangt mede samen met het feit dat deze organisaties hoofdzakelijk door vrijwilligers worden gerund en het vermogen om financiële middelen te genereren per organisatie verschillen. De kwaliteit en uniformiteit van handelen van het personeel van dierenambulances is niet alleen een aandachtspunt en zorg vanuit de betrokken organisaties zelf, maar ook de zorg van een aantal gemeenten. Om de kennis en zorg te verbeteren, vraag ik de Faculteit Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit van Utrecht een cursusmodule op te zetten voor personeel van dierenambulances. Ik zal de opzet van deze module financieren. Daarnaast zal ik met de andere overheden in overleg treden om te bezien op welke wijze we elkaars positie kunnen versterken en bekijken hoe goede regionale initiatieven, zoals gemeentelijk beleid gericht op kinderboerderijen, breder navolging kunnen krijgen. 7.11. EU-verbod honden en kattenbont Als gevolg van de grote maatschappelijk zorg en commotie over verwerkt honden- en kattenbont uit met name Azië, heeft de Europese Commissie besloten een verbod in te stellen in de handel van honden- en kattenbont. Dit voorstel is er mede gekomen onder druk en aanvoering van Nederland. Het verbod wordt van kracht op 31 december 2008. Aanpak: - Het LICG lanceert in oktober 2007 de website en de eerste campagne.
- Het LICG zorgt in 2008 voor een ‘Dierenbijsluiter’.
- De overheid verkent in 2008 met het Platform Verantwoord Huisdierbezit de mogelijkheid te komen tot
- gidsen voor goede praktijken (nadere invulling zorgplicht gezelschapsdieren).
- De overheid hangt begin 2008 de AMvB inzake de positieflijst voor.
- Overheid en bedrijfsleven zorgen er voor dat eind 2008 een certificatiesysteem voor honden en katten operationeel is.
- De overheid stelt met ingang van 2011 een I&R voor honden verplicht. Met de sector wordt gesproken over de opzet van de uitvoering.
- De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied komt uiterlijk september 2008 met een plan van aanpak voor de aanpak van erfelijke problemen bij rashonden.
- De overheid voert de evaluatie van de Regeling agressieve dieren (RAD) uit en besluit voor de zomer 2008 over de uitkomsten en vervolgstappen.
- De overheid vraagt RUU, faculteit diergeneeskunde een cursusmodule op te zetten voor personeel op dierenambulances.
- De overheid overlegt met brancheorganisaties van dierenambulancen om te komen tot verdergaande professionalisering.
- Rijksoverheid overlegt met andere overheden om te bezien hoe goede lokale initiatieven breder navolging kunnen krijgen.
- De overheid breidt de handhavingscapaciteit voor gezelschapsdieren per 2008 uit met 3 fte.
|